Skip to main content

VUB CASE: De gevolgen van de Eerste Wereldoorlog voor het Belgische eigendoms- en familierecht

 Inleiding

De impact van oorlog sijpelt binnen in de verschillende lagen van de samenleving, zowel op politiek, economisch als op sociaal vlak. Zo ook op vlak van het recht, meer bepaald van het eigendoms- en familierecht. Familierecht is een rechtstak die uiterst gevoelig is aan maatschappelijke veranderingen en onophoudelijk flexibel genoeg moet zijn om mee te evolueren met en zich te adapteren aan de noden van de samenleving. Het kan dan ook niet anders dan dat de moeilijke omstandigheden, voortgebracht door de oorlog, het Belgische familierecht grondig hervormd hebben en de gevolgen hiervan doordrongen tot op de stoel van de wetgever. Men moest het hoofd bieden aan nieuwe maatschappelijke problemen, verbonden aan de oorlog, en men verwachtte dat het familierecht hieraan zou tegemoetkomen. In deze uiteenzetting wordt dieper ingegaan op enkele familiaal- en eigendomsrechtelijke aspecten die beïnvloed werden door de Eerste Wereldoorlog, die België en bij uitbreiding Europa bijna op de knieën kreeg… maar toch net niet.

Hiervoor kijken we in eerste instantie naar het Belgische Burgerlijk Wetboek, dat de fundamenten legde voor het privaatrecht. Toen Napoleon in 1804 zijn Code Civil invoerde, behoorden onze gebieden tot het Franse rijk en werd daarom zijn burgerlijk wetboek ook bij ons gebruikt. Ook tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 bleef nog lange tijd de invloed van Napoleon voelbaar in het privaatrecht. Dit wordt ook door Johan VAN DE VOORDE beschreven in zijn artikel ‘Zijn de Belgen Napoleons trouwste onderdanen? Een onderzoek naar de mogelijke opheffing van de Code Napoléon in België en zijn vervanging door het Burgerlijk Wetboek van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden’.



(Bron: Code civil des Francais – 1804 – Bavarian State Library, Germany – No Copyright – Non-Commercial Use Only; Europeana)

Het huwelijk met de handschoen

Het huwelijk is de dag waarop partners elkaar de eeuwige trouw beloven. Het is een ceremonie waarbij normaliter twee mensen in persoon verschijnen voor een ambtenaar van de burgerlijke stand die het huwelijk voltrekt zoals vermeld wordt in art. 166 van het Oud Burgerlijk Wetboek. In oorlogstijd was het echter moeilijk voor de soldaten die aan het front verbleven om fysiek aanwezig te zijn. Ze konden namelijk niet altijd verlof krijgen. Ook voor wie als krijgsgevangene in de macht van het Duitse rijk vertoefde, was de fysieke afstand een probleem. Niet iedereen wou wachten om te trouwen tot na de oorlog, waarvan niemand wist hoelang deze nog zou voortrazen. Het kon zijn dat het afscheid geleid had tot een klein wondertje negen maanden later of een soldaat wou simpelweg niet dat zijn geliefde zonder weduwepensioen zou achterblijven, waarop de vrouw recht had, als hij de oorlog niet zou overleven. Wat de redenen ook waren, soms was er nood aan een snel huwelijk dat niet kon wachten tot het einde van de oorlog. Hieraan kwam het huwelijksrecht tegemoet door het huwelijk met de handschoen te recycleren uit de wet van 20 oktober 1897 betreffende de bevoegdheid van de consul inzake burgerlijke stand en notariaat, waarin stond dat een consul de taak kon overnemen van de ambtenaar van de burgerlijke stand om het huwelijk te voltrekken met internationale erkenning.


De wet van 20 oktober 1897 betreffende de bevoegdheid van de consul inzake burgerlijke stand en notariaat (Bron: Pasinomie)

Zodoende gaven de soldaten iemand een volmacht om te huwen en werd dit zo in hun huwelijksakte vermeld. Indien de soldaat echter in tussentijd overleed, werd het huwelijk, aangegaan door middel van een volmacht, nietig verklaard. Dit principe werd wettelijk verankerd in de Besluitwet van 30 mei 1916.


(Besluitwet van 30 mei 1916; bron: Pasinomie)

Ook Frankrijk voerde reeds op 4 april 1915 een vergelijkbare wet in, zodat militairen en mariniers op afstand konden huwen. Later werden met de wet van 19 augustus 1915 (gepubliceerd in het Journal Officiel de la République française op 20 augustus 1915) de bepalingen van die eerste wet ook toepasbaar op krijgsgevangenen.

(JORF 20 augustus 1915; bron: Gallica)

Het statuut van wettige kinderen versus natuurlijke kinderen

België kent, zoals vele (katholieke) landen, een pijnlijke geschiedenis wanneer het gaat over de discriminatie van natuurlijke kinderen, waaraan pas echt een einde leek te komen door het befaamde arrest Marckx in 1979, waarover SAMOY een interessant artikel schreef. In Duitsland werd dit probleem reeds van de baan geschoven met de Weimargrondwet van 1919, maar België scheen hiervoor wat langer nodig te hebben.



Dit was ook zo tijdens de wereldoorlogen. Vele kinderen werden geboren buiten het huwelijk, omdat de vader vocht aan het front en niet tijdig kon trouwen met de moeder, omdat mannen door de bezetter het bevel kregen te gaan werken in Duitsland of omdat een vrouw zwanger werd van een soldaat die tijdelijk gestationeerd was in haar dorp en nadien het bevel kreeg verder te marcheren. Het Belgische recht bepaalde dat die kinderen noch recht hadden op de naam van de vader, noch op zijn erfenis. Aangezien dit een vaak voorkomende situatie was ten tijde van oorlog voorzag art. 331 Burgerlijk Wetboek dat deze kinderen konden gewettigd worden als de ouders toch nog in het huwelijk zouden treden, waardoor zij dezelfde rechten zouden hebben alsof ze binnen het huwelijk geboren waren. Deze regel vindt zijn oorsprong reeds in het kerkelijk recht (legitimatio per subsequens matrimonium) en vond hier een nuttige toepassing om tegemoet te komen aan deze vaak voorkomende oorlogsproblematiek. Hiervoor moesten uiteraard beide ouders nog wel in leven zijn, wat spijtig genoeg vaak een onhaalbare kaart bleek te zijn. In principe kon de volmacht uit het vorige deel enkel gebruikt worden om een huwelijk aan te gaan, maar men kon ook een bijzondere volmacht krijgen om onwettige kinderen te erkennen, ook na het overlijden van de vader.

Na de wapenstilstand kon deze tijdelijke oplossing echter niet meer gebruikt worden en moest men met een andere oplossing op de proppen komen. Hiervoor keek men naar buurland Frankrijk, waar men ook met gelijkaardige problemen te maken had. Natuurlijke kinderen konden wettelijk gemaakt worden als één van de ouders niet in de mogelijkheid was om te trouwen door militaire dienst, gevangenschap of overlijden door toedoen van een gevecht, als men kon bewijzen dat men wel de intentie had en bekwaam was om te trouwen. Dit bewijs kon op verschillende manieren geleverd worden: door geschrift en door getuigen als er een begin was van schriftelijk bewijs van de huwelijksbelofte. Ook moest men de afstamming van zowel vader- als moederszijde kunnen bewijzen. Deze wettiging kon niet plaatsvinden als men kon aantonen dat de moeder ten tijde van de verwekking met andere mannen contact had gehad of ander ‘slecht gedrag’ vertoonde, zoals ook te lezen is in het artikel van S. VANDENBOGAERDE ‘Justice ou liberté? De Impact van de Eerste Wereldoorlog op het Belgische privaatrecht’.

De echtscheiding

De oorlog bracht sowieso al veel leed met zich mee. Mannen kwamen getraumatiseerd terug door de verschrikkelijke dingen die ze aan het front hadden gezien en meegemaakt. Ook voor de vrouw thuis aan de haard waren de jaren zonder haar man geen makkelijke periode. De ontbering van de oorlog en het gemis van de echtgenoot duwde menige vrouw in de armen van een andere man. De nog overblijvende Belgische parlementsleden, die op 24 mei 1914 met het algemeen eenvoudig stemrecht verkozen waren, konden het niet aanzien dat na alle ellende, meegemaakt tijdens de oorlog, het echtpaar ook nog eens het verdriet en de pijn moest dragen van een tergende en langdurige echtscheidingsprocedure, met toen wel zes maanden bedenktijd. 

Daarom kwam er een wetsvoorstel tot vereenvoudiging van de vormvereisten voor de echtscheiding ten behoeve van de strijders van de ‘Groote Oorlog’ (Parl. St. Kamer 1918 – 1919, nr. 229) om die termijn terug te brengen in ernstige en buitengewone omstandigheden naar één maand. Ook werd er een ministeriële omzendbrief verstuurd op 1 oktober 1919 die aanmaande om echtscheidingen van soldaten voorrang te geven. Dit zou een tijdelijke maatregel zijn. Een goed idee, maar door de gekende Belgische problematiek van vertragingen (voor de verkiezingen van 1920 werd namelijk het Parlement ontbonden), vond de Senaat het niet meer nodig dit voorstel twee jaar na de oorlog nog aan te nemen en verwierp het daarom, wat we opnieuw kunnen lezen in het artikel van meneer VANDENBOGAERDE. De meeste soldaten waren immers tegen dan al gescheiden en voor de anderen kunnen we enkel hopen dat na al die jaren van vete en geweld sommigen van deze soldaten het in hun hart konden vinden om hun vrouwen te vergeven en dat de liefde het toch nog zou winnen van de haat in de wereld.

Het statuut van de Belgische vrouw die getrouwd was met een Duitse man en de gevolgen voor haar eigendomsrecht


In een tijd waarin niemand zich kon voorstellen dat het ooit oorlog zou worden, waren veel Duitsers geïnteresseerd in de economische aantrekkingskracht van België en vooral van Antwerpen. Dit wordt ook bevestigd door Greta DEVOS, professor aan de Universiteit Antwerpen. Velen kwamen hier werken, leven en werden verliefd. Ze stichtten een gezin en toen… werd het oorlog. Plotseling werden zij en hun gezin door iedereen gezien als ‘de vijand’. Vrouwen namen volgens het toenmalige recht de nationaliteit over van hun echtgenoten en kregen bijgevolg de Duitse nationaliteit. 

Na de oorlog sprak België verschillende sancties uit tegenover de Duitsers. N. MULDER vertelt ons dat hiervoor gesteund werd op de artikelen 297 – 298 van het Verdrag van Versailles dat op 28 juni 1919 werd afgesloten en waarin onder meer sancties tegenover de Duitsers werden uitgesproken.

(afbeelding: Egmontpaleis, foto genomen vanuit het publiek toegankelijke Egmontpark door Paul M.R. Mayaert, licentie BY-SA/4.0; bron: Europeana)

(afbeelding: Kasteel van Arenberg te Leuven; bron: Wikimedia Commons, licentie CC BY-SA 3.0)


Hun goederen werden verbeurdverklaard aan de Belgische staat zoals door F. CAESTECKER en T. ROOBROUCK uiteengezet in ‘Private property or enemy property: how parliament confiscated the property of the stateless of German origin in Belgium (1918-21)’ en ‘De jacht op de Duitsers in het bevrijde België, 1918 – 1925: De beschuldiging van collectief verraad door de Belgische Duitsers en Duitse Belgen getoetst’. De meest sprekende voorbeelden uit de Belgische geschiedenis hieromtrent zijn de verbeurdverklaring van het Egmontpaleis en de verbeurdverklaring van de goederen van de, in het Ancien Régime bijzonder vooraanstaande, familie Arenberg, waar M. TRIEST en G. POUCKE het uitgebreid over hebben in hun werk Het grote taboe na de Grote Oorlog: De Belgische staat versus de adelijke familie Arenberg. Het Arenbergkasteel werd in 1920 door de Belgische universiteit van Leuven overgekocht van de Belgische Staat. Het Egmontpaleis, lang bij de grootste en belangrijkste van Brussel, werd in 1918 verkocht aan de stad Brussel, wetende dat de familie Arenberg het zou kwijtraken. De stad had niet echt een bestemming voor het paleis en daarom werd het opnieuw doorverkocht aan de Belgische regering deze keer. Nu wordt het nog steeds gebruikt voor internationale conferenties en de diensten van het Protocol van Buitenlandse Zaken. Dit toont duidelijk de rol aan die de overheid speelde in het verkrijgen van beide gebouwen.

Belgische vrouwen werden voor een hartverscheurende keuze gesteld: of ze werden verbannen naar Duitsland of ze moesten scheiden van hun geliefden om ervoor te zorgen dat ze hun goederen niet kwijtraakten en in het land mochten blijven wonen. Zij die een scheiding wouden, kregen die zeer snel van de rechtbanken, want men zag dit als een teken van vaderlandsliefde, anderen argumenteerden dat het net door hen kwam dat hun mannen niet de Duitse vlag, maar de Belgische in het hart droegen.

De vraag stelt zich zoveel jaren later of deze sancties opgelegd aan deze vrouwen wel terecht waren. Hun enige ‘misdrijf’ was verliefd worden op een Duitse man lang voor de oorlog uitbrak. Deze liefde eiste een zware tol van deze vrouwen. Zij heulden niet mee met de Duitse bezetter, zij hielpen geen Duitse soldaten (wat trouwens wel een grond tot scheiding was voor een Belgische man getrouwd met een Duitse vrouw)… Op geen enkele manier was er een gebrek aan loyaliteit aan hun vaderland vast te stellen en toch werden zij zo behandeld.

Galina Hermans

English abstract

The First World War profoundly affected Belgian society, generating legal challenges that extended far beyond the battlefield and into the domains of family and property law. This contribution by VUB student Galina Hermans examines how wartime circumstances exposed the limitations of the Belgian Civil Code and prompted legal adaptations designed to address unprecedented social realities. Drawing upon legislative sources, contemporary legal doctrine, and historical scholarship, it explores the interaction between war and private law through four case studies: marriage by proxy, the status of children born outside marriage, divorce, and the property rights of Belgian women married to German nationals.

The analysis begins with marriage by proxy, a legal institution revived during the conflict to enable soldiers and prisoners of war to marry despite physical absence. Inspired by earlier legislation concerning consular authority, Belgian lawmakers adopted measures allowing proxies to represent absent spouses, thereby safeguarding both family formation and access to social protections such as widows’ pensions. The article then examines the difficulties faced by children born out of wedlock during wartime. Given the frequent separation of couples and the disruption of ordinary family life, mechanisms of legitimation acquired renewed importance. Belgian law relied on traditional concepts derived from canon law, while developments in neighbouring France offered additional models for addressing questions of filiation and inheritance.

A third section considers the impact of the war on divorce law. The return of traumatised soldiers, combined with the social and economic hardships experienced on the home front, led to demands for simplified divorce procedures. Although legislative initiatives sought to reduce procedural delays for veterans, political circumstances ultimately prevented their permanent adoption. The discussion illustrates the tension between legal continuity and the perceived need for exceptional wartime measures.

Finally, Galina's contribution investigates the consequences of post-war anti-German policies for Belgian women married to German nationals. Because married women automatically acquired their husband’s nationality, many found themselves classified as enemy nationals after 1918. Confiscations of German property, inspired by the Treaty of Versailles, placed these women in a precarious position, often forcing them to choose between divorce and expulsion. Their situation reveals the extent to which nationality, family status, and property rights became intertwined during and after the conflict.

Taken together, these examples demonstrate that the First World War transformed Belgian private law not merely through formal legislative reform, but by compelling legal institutions to respond to new social realities. The conflict thus highlights the capacity of family and property law to adapt to periods of profound societal disruption.

Bronnen en bibliografie

(1) Rechtspraak

EHRM 13 juni 1979, 6833/74, ‘Marckx v. België’.

(2) Rechtsleer

CAESTECKER F., ‘Private property or enemy property: how parliament confiscated the property of the stateless of German origin in Belgium (1918-21)’, European Review of History: Revenue européenne d’histoire 21 april 2021, 220 -239, DOI 10.1080/13507486.2020.1856041.

CAESTECKER F. en ROOBROUCK T., ‘De jacht op de Duitsers in het bevrijde België, 1918 – 1925: De beschuldiging van collectief verraad door de Belgische Duitsers en Duitse Belgen getoetst’ in NEFORS P. en TALLIER P.-A. (Eds.), Quand les canons se taisent – En toen zwegen de kanonnen – When the Guns fall Silent. Actes du colloque international organisé par les Archives de l’Etat et le Musée royal de l’Armée et d’Histoire militaire, Rijksarchief, 2010, 225,  http://hdl.handle.net/1854/LU-1088096.

DEVOS G., ‘Inwijking en integratie van Duitse kooplieden te Antwerpen in de 19de eeuw’ in SOLY H. en THIJS A.K.L. (Eds.), Minderheden in Westeuropese steden (16de – 20ste eeuw), Belgisch Historisch Instituut te Rome – Institut Historique Belge de Rome, 1995, 398, https://hdl.handle.net/1854/LU-249121.

DHONDT F., ‘Rechten en vrijheden in de Weimargrondwet: Overdraagbare Onvervulde Beloftes?’, Tijdschrift voor Mensenrechten 2026/23(4), DOI:  10.21825/tvmr.96283.

DUVERGIER, La Collection Complète des Lois, Etc., 1915, 113.

HEIRBAUT D., Redefining codification: a comparative history of civil, commercial, and procedural codes, Oxford University Press, 2025, DOI 10.1093/9780198947370.003.0001.

HEIRBAUT D. en MARTYN G. (eds.), Napoleons nalatenschap: tweehonderd jaar Burgerlijk Wetboek in België, Kluwer, 2005.

HENRIOUL N., ‘Echtscheiding in de Leuvense rechtspraktijk in de nasleep van de Groote Oorlog’, Pro Memorie 2021/ 23(2), 180, DOI: https://doi.org/10.5117/PM2021.2.004.HENR.

JANSSENS P., ‘Boekbespreking: Monika Triest & Guido van Poucke – Het grote taboe na de Grote Oorlog. De Belgische staat versus de adelijke familie Arenberg’, BTNG 2014/ 2-3, 270.

MULDER N., ‘A retrogade Tendency: The expropriation of German Property in the Versailles Treaty’, BRILL Journal of the History of International Law/ Revue d’histoire du droit international 2020/22(4), 50 DOI 10.1163/15718050-12340136.

SAMOY I., ‘30ste verjaardag van het arrest-Marckx’, T.Fam. 2009, 97-98.

TRIEST M. en POUCKE G., Het grote taboe na de Grote Oorlog: De Belgische staat versus de adelijke familie Arenberg, Davidsfonds Uitgeverij, 2013.

VANDENBOGAERDE S., ‘“Justice ou liberté?” De impact van de Eerste Wereldoorlog op het Belgische privaatrecht’, TPR 2018/ 1-2, 91-146 (126 -131).

VAN DE VOORDE J., ‘De vertegenwoordiging bij rechtsdaden. Een onderzoek naar de feitelijke handelingen met rechtsgevolg die rechtens hebben te gelden als de handeling van een ander’, TBBR 2020, afl. 8, 453.

VAN DE VOORDE J., ‘Het Burgerlijk Wetboek verklaard, 1865 – 1892. C.W. Opzoomer (1821 – 1892)’, Pro Memorie 2019, 112, DOI 10.5117/PM2019.2.024.VAND.

VAN DE VOORDE J., ‘Zijn de Belgen Napoleons trouwste onderdanen? Een onderzoek naar de mogelijke opheffing van de Code Napoléon in België en zijn vervanging door het Burgerlijk Wetboek van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden’, Pro Memorie 2017, 232.

VAN MELKEBEEK M., ‘Huwelijk en buitenechtelijke verhoudingen te Brussel in de vijftiende eeuw’, Tijdschrift van de Belgische Federatie van Universitair Gediplomeerde Vrouwen 1978/56, 7, http://hdl.handle.net/1854/LU-747960


Comments

Most popular posts

CY CASE - Women and union organization in France (19th - 20th century)

Women and labor  Restrictions and incapacities  Since the middle ages, a woman is under male authority, she is economically dependent of men who control all her life: since her birth, she receives the authority of her father; authority is given to her husband when she marries, for their domestic life; masculine authority follows her at work, under the orders of her employer… When they had the chance to have a job outside of the family home, women were slowed by corporations (in the early modern period), because most did not accept the settlement of women in a male-dominated social world of work.  It is only at the end of the 18 th century that corporations ended, especially in France with the d’Allarde decree in march 1791, and in Great Britain : from then on, women could join easily the industry. Therefore, they were seen in feminine fields such as in millinery or lingerie industries.  Les ouvriers du livre, Rébérioux Madeleine, 1981 Marriage and Civil code  T...

PEAK EVENT 2025: Program (Warwick: University of Warwick, 13-15 MAR 2025)

(Modern Records Centre, University of Warwick; source: Wikimedia Commons ) EUTopia Connected Learning Community Legal History: Collective and Individual Rights in Legal History Thursday 13 – Saturday 15 March 2025 University of Warwick Following the editions in Paris (February 2022), Ljubljana (March 2023), and Brussels (March 2024), the University of Warwick (Dr. Rosie Doyle) will host the 2025 flagship event of the Connected Learning Community in Legal History, with the support of the participating institutions (University of Warwick, CY Cergy Université, University of Ljubljana, Vrije Universiteit Brussel).       Thursday 13 March     Arrival of all participants   19.00 Evening Meal, Coventry (exact location tbc)     Friday 14 March   Location: Warwick Innovation District, Junction Building 6 University Road University of Warwick Coventry, CV4 7EQ ...

Peak event report: VUB students

Depending on the point of view, Paris is either seen as Brussels in big, or Brussels as ‘petit-Paris’. In this blogpost we, the EUTopia students from Brussels, guide you through Paris from the viewpoint of a small minority in a very big city. We write this blogpost, in true EUTopian spirit, in three different languages, providing thoughts on engaging encounters, thought-provoking presentations and winding walks through Paris. The song 'Bruxelles je t’aime', by the Brussels-born-but-living-in-Paris singer Angèle, serves as a welcome guide.   Day one: quiet before the storm? Not in Paris! Et sûrement que dès ce soir le ciel couvrira une tempête Mais après l'orage, avec des bières, les gens feront la fête En of het Peak Event ons aansprak. Een dik uur Thalys, een korte metrotrip en twee keer rond het indrukwekkende Monument à la République stonden we naast studenten uit Warwick, Ljubljana en Barcelona. Wanneer het regent in Parijs, druppelt het in Brussel. Maar wann...